Made in Korea

Weten waar je vandaan komt, is de manier om je identiteit te behouden. Ik ben Anouk Bakker, 37 jaar en een vondeling. Als baby van drie maanden ben ik afgestaan door mijn biologische moeder. Dat stond in mijn adoptiepapieren. Ik werd gevonden op de stoep voor het politiebureau in Seoel. Keurig verpakt in een schoon setje kleren en een polsbandje met daarop mijn naam en geboortedatum. Ik heette Hye-Jin Kwon en was geboren op 14 oktober 1977 in de Koreaanse hoofdstad. Mevrouw Kwon kon opgelucht adem halen: ik was veilig, ik werd gevonden. Ze wist dat ik naar het kindertehuis zou worden gebracht.

Vroeger aan zeeIk was zeven maanden toen ik werd geadopteerd en heb altijd geweten dat ik een vondeling ben. Boosheid naar mijn geboortemoeder heb ik niet. Hoe kun je nu slecht praten over ouders die je nooit hebt gekend? Ze heeft het gedaan met de intentie dat ik gevonden werd, dat het goed zou komen met me. Daar ben ik van overtuigd. Het is heus niet zo dat een moeder haar kind achterlaat en nooit meer aan dat kind denkt. Die gedachte heb ik op de kleuterschool al weggebonjourd naar het land der fabelen.

Met het feit dat ik een vondeling ben, heb ik nooit problemen gehad. Ik vond het ook nooit moeilijk om erover te praten. Het is gewoon zo gebeurd en het is misschien wel mijn redding geweest. Die gedachte flitste ook door mijn hoofd toen ik vorige week het nieuwsbericht las over de twintig dagen oude baby die in Amsterdam werd gevonden in een vuilniscontainer. Een ondergrondse vuilniscontainer nota bene. Er moest iets verschrikkelijks aan de hand zijn geweest, dit kon niet zomaar gebeuren. Je kind te vondeling leggen doe je niet zomaar. Dat is een niet te bevatten noodsituatie.

Gelukkig voor mij, heeft mijn biologische moeder dat toch gedaan. Want hoe had mijn leven eruit gezien als ik niet was geadopteerd? Daar wil ik nog niet eens over nadenken. Waarschijnlijk krijg ik dan een blik in een andere wereld. Brr, het idee alleen al. Ik hou van Holland. Er is geen plek op aarde waar ik liever zou zijn opgegroeid. Ik heb u lief heerlijk landje. Toen ik hier als baby arriveerde, stond er een onzichtbaar bordje: welkom!

Nederland ontving me met open armen en ik integreerde snel. Ik voelde me in no time thuis. Alleen mijn spleetogen herinnerden me nog aan Korea. Daarvoor moest ik een reality check doen in de spiegel. Begrijp me niet verkeerd, ik ben trots op mijn Koreaanse roots, maar diep in mijn hart ben ik toch meer een Kaaskop.

Kleine Anouk op schaatsenMaar hoe je het ook wendt of keert, adoptie is een verlengstuk van mijn persoonlijkheid. Het is dus maar goed dat er genoeg vrouwen op aarde zijn die kiezen voor een kind uit een vliegtuig en niet voor een kind uit hun buik. Dat is niet egoïstisch, maar realistisch. Waarom moet je per se zelf zwanger worden om je moeder te kunnen voelen? Ik vind het juist onbaatzuchtig om een weesje uit een minder bedeeld land een eerlijke kans te geven in het leven.

Ik heb dus geen zielig verhaal te vertellen. Als dreumes koketteerde ik overigens wel dagelijks dat kindjes uit Korea zielig waren. Maar daar sprak de drama Queen in mij, niet de waarheid. Adoptiekinderen zijn niet sneu, evenmin als weesjes die te vondeling zijn gelegd. Uit iets triest, ontstaat soms ook iets moois. Het is namelijk niet altijd een kwestie van geluk waar je wieg staat, maar vooral wie je uiteindelijk onder hun vleugels nemen. Als kinderen hun ouders konden kiezen, koos ik voor mijn vader en moeder. Zoals ze in Brabant zeggen: Niks mis mi.

Zoete olijven

Vroeger was ik een mini ninja die kleine avonturen beleefde. Onovertroffen waren crossen op mijn BMX-fietsje, het eten van bittere olijven en keten met Thijs. Hij was mijn buurjongetje slash allerbeste maatje. Saampjes vormden we een opvallend duo: hij een Hollands jongetje met blond haar en ik een ‘Chineesje’ die over hem baasde. Ja, we waren net de kinderen uit de tv-reclame van Duo Penotti (‘Twee kleuren in een pottie’). Ik wilde met niemand anders omgaan. Toen een ander jongetje uit de straat op een middag bij mij kwam spelen, was ik beledigd dat Thijs niet kwam opdagen. Het eerste uur heb ik die arme stakker het leven behoorlijk zuur gemaakt. De kreten ‘stomme trut’ en ‘Zal ik je eens in elkaar slaan’ waren favoriet.

Vroeger met ThijsThijs en ik waren Best Friends Forever. Ik viel hem dus ook lastig met mijn achtergrondverhaal. Zoals op 24 maart 1981. Twee kleuters zitten op de bank. Omdat ik de baas ben, gaat het gesprek in één richting:

‘Kom Thijs, mag je naar het boekje over Korea kijken’, roep ik.

‘Alle baby’s, ja.’

‘Kijk daar zijn de schoenen van de kinderen.’

‘Kijk alle baby’s.’

‘Dat, zie je dat. Leuk hè?’

‘Zo uit.’

‘Ik doe het niet meer mama.’

‘Ik doe het niet meer hoor Thijs.’

‘Want ik ben zo moe van het kijken.’

‘We gaan lekker met de Playmobil spelen.’

Op mijn derde nam ik dus al een stoere pose aan als het over mijn adoptie ging: afstandelijk, kort en bondig. Ik voelde geen diepe connectie met mijn geboorteland. Wanneer je aan me vroeg of ik ooit terug wilde naar Zuid-Korea zei ik steevast: ‘Sommige kinderen willen dat graag, maar voor mij hoeft dat niet zo.’ Mensen keken me dan met een niet-begrijpende blik aan. Misschien stelden ze zich wel gerust met de gedachte dat ik er ooit anders over ging denken. Er zijn geadopteerde kinderen die het onwijs machtig vinden om hun moedertaal te leren spreken, de meest exotische gerechten te kunnen bereiden en te sparen voor een reis naar het geboortedorp. Of ook leuk: familieleden opsporen. Het zal!

Anouk in De PontPrima voor de liefhebbers. Voor mij? Nee, dank je wel. Het onderwerp schuurt, maakt ongemakkelijk en geeft mij ook een schuldgevoel. Ik probeer al heel mijn leven dit soort gesprekjes op afstand te houden. Niet wéér dat verhaal. Of ik me daar soms lullig over heb gevoeld? Jazeker. Er was zowaar sprake van schaamte. Tot voor kort dacht ik dat het verre van acceptabel was om nul komma nul interesse te hebben voor mijn afkomst.

Maar mijn verhaal moet wel verteld worden. Daarom ben ik een half jaar geleden begonnen met bloggen. Het is voor mij schrijftherapie. Ik tik niet om onverwerkt verdriet te verwerken, maar omdat ik graag vertel. Mijn doel is niet per se de beste schrijver aller tijden worden, maar wel een blog opbouwen waar ik trots op kan zijn. De start is veelbelovend. Ik heb toffe reacties gekregen, en een paar daarvan zijn speciaal. Van geadopteerde kinderen, adoptieouders en familieleden die vertellen dat ze zich in mijn gedachtenspinsels herkennen. Toegegeven: dat raakt me.

Anouk at workDoor het schrijven over adoptie ben ik niet van mijn ‘geloof’ gevallen. Ik pieker er nog niet over om terug naar Zuid-Korea te gaan. Maar tja, wie weet. Het is net als met een goede whisky. Die moet je op zijn waarde schatten en leren drinken. Een proces dat jaren kan duren. Misschien boek ik over vijf jaar in een recalcitrante bui alsnog een retourtje Amsterdam-Seoul. Op de dag dat ik de royalty’s ontvang van mijn eerste boek. Als de olijven op een dag zoet smaken, is alles mogelijk.

Wereldkind

Als adoptiekind bof je maar. Je krijgt niet alleen een extra paar ouders cadeau, maar ook een bonusverhaal over je afkomst. Bijna elk kind herinnert zich nog de dag dat hun ouders de ‘waarheid’ vertellen. Het-waar-kom-ik-vandaan-verhaal en jij-bent-geadopteerd-uitleg. Zodat je antwoord kunt geven als mensen vragen: ‘weet je het al?’

Tja, ik weet het al bijna mijn hele leven. Gelukkig hebben mijn ouders er nooit een geheim van gemaakt dat ik ben geadopteerd. Ze waren altijd heel open en geen enkele vraag was taboe. Alleen stelde ik er nooit eentje, niet echt. Daar had ik nooit behoefte aan. Tot gisteravond. Ik sprak mijn moeder aan de telefoon en vuurde de ene vraag na de andere op haar af. Mijn moeder vertelde toen dat ze in haar dagboek een aantal bijzondere anekdotes uit die begintijd had genoteerd. We waren net verhuisd van de Randstad naar Brabant. Ik was een praatgrage peuter met bolle wangen en een natuurlijke drang om de baas te spelen over de kinderen uit de straat.

IMG_2985Op 6 april 1981 schreef ze: We waren op verjaardagsvisite bij buurmeisje Rianne. Een nichtje van haar kwam binnen en stelde op zeer directe wijze een aantal vragen. Nichtje: Waar komt zij vandaan? Ik antwoordde: Van de overkant, daar wonen wij. Daar nam het nichtje geen genoegen mee en vroeg: Nee, waar komt ze vandaan? Ze ziet er anders uit dan jij. Ik antwoordde: Uit Korea. Het nichtje was nog steeds niet tevreden en zei: Waarom is zij niet in Korea gebleven? Op dat moment vond Anouk het welletjes en sprak: Nou, omdat ik naar mijn papa en mama toe wilde. Hier had het nichtje geen weerwoord op.

Zou ik toen echt hebben beseft dat ik was geadopteerd? Vast niet. Het is net als tafeltjes uit je hoofd leren. Je kent de getallenreeksen, maar het echt snappen doe je niet. Het hebben van twee moeders vond ik vooral erg cool. En handig voor als het mij uitkwam. Zoals die keer dat ik weer eens door mijn grote broers werd gepest. Twee lange blonde jongens versus een ukkepuk van nog geen drie. We waren op de terugweg van een vakantie in Zwitserland. Ik was het beu en riep: ‘Ik heb twee mama’s en jullie lekker maar eentje!’ Voor het eerst in mijn leven kreeg ik ze stil.

Zelf raak ik nog steeds sprakeloos van de persoonlijke vragen die wildvreemde mensen soms stellen. Ook mijn ouders waren in mijn jeugd regelmatig het ‘lijdend voorwerp’. FAQ’s waren: Kunnen jullie geen kinderen krijgen? En: Voelt het wel eigen? Of: Zijn jullie niet bang dat het niet klikt? Dit noem ik geen gezonde nieuwsgierigheid meer. Het is op het brutale af. Andere ouders wordt toch ook niks gevraagd? Op geen enkel kind, geadopteerd of biologisch eigen, staat een niet-goed-geld-terug garantie.

Kleine Anouk 10Voor als u het wilt weten. Mijn ouders konden kinderen krijgen en zaten in de luxe positie dat ze nog een baby konden adopteren, mij dus. Dat deden ze uit de overtuiging dat alle kinderen het recht hebben op een thuis. Het was midden jaren ’70 toen ze op tv beelden zagen van kinderen uit Bangladesh die omkwamen van de honger. Mijn moeder zat met tranen in haar ogen voor de buis gekluisterd. Ze zei tegen mijn vader: ‘Die kinderen hebben ook een warm bed, eten en een huis nodig. Maar je kunt ze toch moeilijk uit hun land weghalen, ver weg van hun ouders?’ Van buitenlandse adoptie hadden mijn vader en moeder toen nog nooit gehoord.

Een paar weken later waren ze op bezoek bij hun oude buren. Daar hoorden ze voor het eerst dat je kinderen uit verre landen kon adopteren. Een echtpaar van een paar huizen verderop had een kindje uit Colombia geadopteerd. Toen mijn ouders thuis kwamen, haastte mijn vader zich naar boven en belde hij deze bijzondere mensen op om meer te horen over adoptie. Zo kwamen ze in contact met Stichting Wereldkinderen en meldden ze zich aan voor adoptie. Na drie jaar van intakegesprekken, informatieavonden, bezoeken van de kinderbescherming en veel geduld kregen ze hun derde kindje. Een dochter van zeven maanden.

Zelf heb ik geen broedgevoelens. Toch weet ik dat kinderen krijgen iets moois is. Het is een geschenk waar elke aspirant-ouder van droomt. Of je ze nu zelf baart of adopteert, het is jouw kind. Bonus: Als adoptiekind ben je zonder twijfel gewenst. Geen garantie nodig, wist u dat al?

 

Groeten uit Holland

Hallo andere mama,

We kennen elkaar niet. Mijn naam is Anouk Bakker, je dochter. Lief spleetoogje, buitenbeentje, modemeisje, journalist, hardlooptornado. Dat is mijn tijdlijn in een notendop. In die volgorde. Net als jij had ik een fijn en onbezorgd leven gepland, maar onderweg moest ik mijn plannen veranderen. Ondanks mijn gebrek aan navigatie, rijd ik niet zomaar een doodlopende straat in. Ik keer om en rijd terug. Maar daar later meer over. Stoer als ik ben, heb ik mijn gevoelens voor jou 36 jaar geparkeerd. Het raakt me dat ik geen herinneringen aan je heb. Met een baby in je armen voelde je vast wanhoop toen je besefte dat je niet voor me kon zorgen. Je hebt me afgestaan voor adoptie en de naweeën van jouw beslissing heb ik gevoeld. Geen wraakgevoelens, wel verlatingsangst.

IMG_5268Iets anders waar mijn emotie van opvliegt, is onrecht. Als ik terugkijk op mijn jeugd zijn dat discriminatie en pesten. Ik groeide op in een helaas niet kleurenblinde wereld, in een land ver van jou vandaan. Ik was ‘dat Chineesje’ waar iedereen een mening over had. Daardoor wist ik al jong hoe het is als je anders bent en mensen een mening over je hebben. Mijn kinderjaren waren prettig. Ik was gelukkig en had veel vrienden. Daar kwam abrupt een einde aan toen ik de naar de middelbare school ging. Van de ene op de andere dag werd ik gepest. Ik degradeerde van populair naar pispaal. Ik was een tiener die probeerde te overleven. Elke ochtend stond ik op, stapte op mijn fiets en probeerde genoeg kracht te vinden om de arena vol pestkoppen te trotseren. Schrijven hield me op het rechte pad. Het moeilijkste was dat ik geen vrienden had. Als ik een toverstafje had dan wenste ik dat ik me niet meer alleen zou voelen. ‘Snap niet dat mensen zo slecht kunnen zijn. Was ik maar in één zwiep van alle pijn af’, schreef ik in mijn dagboek. Ik was toen 14 jaar.

De ommekeer kwam tijdens mijn studie. Ik kreeg onverwacht een steuntje in de rug van mijn docent journalistiek. In mijn ogen was hij een schrijfhoogheid. Hij zei wat ik sinds mijn strikdiploma niet meer had gehoord: ‘Je hebt talent.’ Toen realiseerde ik me dat ik kon opgeven of omhoog krabbelen. Ik koos voor het laatste. Jij zou me vast een knuffel hebben gegeven, zoals moeders doen. Ondanks mijn helse schooltijd bleef ik altijd positief. Het was belangrijker om elke dag te lachen dan te huilen. De drie magische woorden van mijn docent journalistiek gaven me net dat ene zetje in de juiste richting. Ik was net 20 jaar en stond voor een kruispunt. Ik wist dat er meer was in het leven. Door iemand zijn fout, ga ik niet anders over mezelf denken. Ik wil niet boos blijven op de wereld en verbitterd raken. Ik haat mijn plaaggeesten niet. Jij zou me vast wijze raad hebben gegeven. Iets van: als je het zelf niet doet, doet een ander het ook niet.

IMG_5171Dat ik nooit heb opgegeven is misschien wel het dapperste dat ik ooit heb gedaan. En daarvoor, mam, moet ik je de hand schudden. Bedankt voor de bagage, jouw erfenis aan mij. Doordat jij niet voor mij kon zorgen, heb ik geleerd dat zelf te doen. Ik ben geen einzelgänger meer, maar een gelukkige kaaskop met spleetoogjes. Zonder het label adoptiekind of pispaal. Jouw dochter gaat het ver schoppen. Ik draag mijn eerste Pulitzerprijs aan jou op. Ja, je mag dan best een traantje wegpinken.

Je dochter

Moederdag

Het is Met mama-3Moederdag. Morgen is het precies 36 jaar geleden dat ik als 7 maanden oude baby de overstap maakte van Zuid-Korea naar Nederland. Ik ruilde de rijstkommen in voor de boerenkool. Als ‘allochtoon’ had ik helemaal geen inburgeringscursus nodig. Ik omhelsde het Wilhelmus, de tompoezen, het huisje aan zee, de Appie en Jip en Janneke. Een ‘Chineesje’ van buiten en een kaaskop van binnen. Mensen vroegen, vragen en blijven vragen of ik niet terug wil naar Zuid-Korea en of ik mijn ECHTE moeder niet wil ontmoeten. Het antwoord is nee en nee. Het is zoals het is. Ik heb de allerliefste mama van de wereld. Mijn adoptie was de beste transfer van 1978.

Souvenir

Paspoort KoreaVeel geadopteerde kinderen hebben het gevoel een puzzelstukje te missen. Ik niet, want ik haat puzzelen. Mijn interesse in Zuid-Korea reikt niet verder dan het bewonderen van de nieuwste Samsung smartphone. Ik heb niks met die terug-naar-mijn-roots verhalen. Een speurtocht naar verloren ouders die je als drie maanden oude baby te vondeling hebben gelegd, midden op straat, met slechts een naamjaartje om je pols. Waarom wil je terug naar een land waar je wortels niet groeien?

Je hoeft ook niet naar een sentimenteel programma als Spoorloos te kijken om oprecht te worden geraakt. Dat gebeurt soms onverwacht mooi. Iemand zei onlangs tegen me: ‘Jij hebt een familie waar je niet op lijkt maar waar je wel thuishoort, en een familie waar je niet thuis hoort maar waar je wel op lijkt.’

Een brok-in-de-keel moment in het kwadraat. Ik haal vanavond mijn (verlopen) Koreaanse paspoort eens uit de la. Gewoon omdat het mijn enige souvenir is.

Bestemming bereikt

Als klein meisje had ik al grootse dromen. Toen ik acht was waren twee dingen duidelijk. Madonna was mijn idool en als ik groot was, werd ik schrijfster. Praten over mijn biologische ouders stond nooit hoog op mijn lijstje. Ik maakte wel de ene na de andere prachtige tekening van mijn ‘andere moeder’. Altijd dezelfde vrouw: jong, beeldschoon en lang zwart golvend haar. Ik had simpelweg een levendige fantasie. Mijn jeugd was verder dik in orde en ik heb nooit last gehad van mijn geadopteerd zijn.

Blog wees gelukkig 7Blijkbaar ben ik een uitzondering. Ik las van de week een artikel in de krant over een geadopteerde vrouw die een boek (de Adoptiemonologen *proest*) schreef over haar ervaringen en vergeleek ze met die van lotgenoten. Erg bitter en ook stereotype. Adoptiekinderen zijn volgens haar beschadigd, hebben moeite om hun leven vorm te geven en worstelen met het besef dat ze zijn afgestaan door hun biologische ouders.

Hebben de meeste dertigers geen quarterlife crisis? Als niemand met zichzelf in de knoop lag, waren Oprah en Dr. Phil niet schatrijk geweest. Mijn advies aan haar: Wijt niet alle problemen aan je adoptie en blijf niet in een slachtofferrol hangen. Get a life!

Of ik iets heb geleerd van mijn adoptie? Jazeker. Dat afwijzingen niet altijd slecht zijn. Ze hebben me juist geholpen mijn weg te vinden. Maar goed, elk mens kent zijn ups en downs. Dat heeft niks met bloedverwantschap te maken.

IMG_2983Van zweverige termen als ‘ niet-zelfgekozen bestemming’ moet ik niks hebben. Ik ben 35 jaar geleden aangekomen bij de liefste mensen van de wereld. De navigatie in mijn hart zei: bestemming bereikt. Toen ik als mini-mens van zeven maanden in het vliegtuig opsteeg vanuit Seoul, samen met twintig andere lotgenoten, dacht ik vast: ‘Hold on, we’re going home.’

DNA onbekend

Ik ben twitteraar, hardlooptornado, fashionista en journalist. Iedereen mag alles van me weten, behalve over mijn adoptie. Gewoon omdat het me niet boeit. Maar andere mensen vinden het wél buitengewoon interessant. Dus vertel ik kennissen, collega’s en soms wildvreemden braaf dat ik als baby van zeven maanden een wereldreis maakte van Seoul naar Amsterdam. DNA onbekend.

Blog wees gelukkig 9Nee, ik spreek geen Koreaans. Wil ik terug? Nou, liever een helikoptervlucht over de Grand Canyon. En die dommerd die vraagt waarom ik zo goed Nederlands spreek, krijgt een ijskoude Cruella de Vil-blik toegeworpen.

Als klein meisje was ik de lokale attractie van onze witte, Brabantse vinexwijk.
Ouders en kinderen op weg naar school bleven voor ons huis staan in de hoop een glimp van dat ‘schattige Chineesje’ op te vangen. Schoolgenootjes wilden vriendjes met me zijn. Het populairste meisje van de klas, dat dan weer wel.

Al die aandacht leek me een beetje misplaatst. Ik voelde me 100% NL, een kaaskop pur sang en wilde geen bijzonder kind zijn. Op een dag barstte ik in woede uit en de tranen bleven stromen. Mijn moeder zei: ‘Mensen bedoelen het niet slecht, ze zijn alleen nieuwsgierig.’

Mijn reisgenoten van 36 jaar geleden en ik zijn wereldkinderen. Zij denken vast net als ik: DNA is wie je bent, familie is van wie je houdt.